Schrijfopdracht voor dramaturgie, docent Wijnand Schaap
HIGHTECH EN LOWTECH IN HET THEATER OVER 100 JAAR
door Olga Klöne, 2005
Theater is op dit moment een 'melting pot' van handarbeid en technologie. Acteurs van vlees en bloed staan in een decor dat digitaal wordt aangestuurd of dat bestaat uit audiovisuel projecties. Vroeger was theater eenvoudig: een acteur op het podium met simpele attributen en decors. Er is dus een ontwikkeling te zien in de uitvoering van een voorstelling. De vraag is nu, hoe het theater er over 100 jaar uitziet. Verandert er niet veel of juist wel? Ik ben, als individu, er van overtuigd dat het theater over 100 jaar twee uitersten kent. Als eerste de grote, commerciële producties waarin technologie ver doorgevoerd wordt en er digitale decors en acteurs ontstaan. Aan de andere kant het theater waarin de uitvoering van voorstellingen teruggevoerd worden naar de eenvoud van vroeger.
Theater is altijd in ontwikkeling en technologie gaat in die ontwikkeling een steeds grotere rol spel. Volledige digitalisering ligt dus in het verlengde van de ontwikkeling van theater.
Nu al experimenteren theatermakers met nieuwe technologieën en dat zal niet veranderen. Daarbij is het over 100 jaar door de wetenschap mogelijk gemaakt, om virtuele acteurs op een podium te projecteren. De suggestie van virtuele acteurs wordt al gegeven in een film van de regisseur Andrew Niccol, Simone (2002). We hebben het hier dan nog wel over filmacteurs, maar wél in onze zijt. Bedenk wat er over 50 jaar al kan en wat over 100 jaar!
Aan het eind van de 21e eeuw zullen acteurs, door experimenten, de behoeften aan geschoolde acteurs zien verdwijnen. Uit protest willen zij dan niet meer werken met theatermakers die hier mee bezig zijn. De acteurs gaan voor puur theater: geen technologie, maar handarbeid.
De twee bovengenoemde punten geven goed weer dat over 100 jaar het theater bestaat uit twee uitersten: hightech en lowtech theater.
Maar de ontwikkeling van theater is niet de enige oorzaak van het ontstaan van hightech en lowtech theater. Het publiek ontwikkelt zich ook en bepaalt in zekere mate de trends in het theater en dus ook de ontwikkeling.
Een groot deel van het publiek heeft over 100 jaar behoefte aan de trends van het moment. Ook nu gaat de voorkeur van het grootste deel uit naar die voorstellingen die mee zijn gegaan met de tijd en aan sluiten bij de amusementsbehoefte van het publiek. Dit is altijd al geweest en die steeds voortdurende ontwikkeling zal ook niet veranderen.
Tegenover deze grote groep die vraagt om technologische hoogstandjes is er een kleinere, maar daarom niet minder van invloed, groep die de technologiesche vooruitgang te ver vinden gaan en terug willen naar de eenvoud, in alles, van vroeger. Deze groep sluit aan bij de eerder genoemde acteurs die gaan voor puur theater.
Het publiek heeft ddus ook een grote invloed op het gebruik van hightech en lowtech in het theater.
De technologische ontwikkelingen van theater zet zich de komende 100 jaar dus voort, tot op extreme hoogte. Er zijn volledig gedigitaliseerde voorstellingen ontstaan waar geen acteurs meer nodig zijn. Dit soort theater voorziet in de behoeftes van een groot deel van het theaterpubliek. De overbodige acteurs zijn zelf al gestopt met de commercieële voorstellingen en richten zich op puur theater zonder technologie. Onder veel mensen is dit populair, omdat zij de samenleving, dus ook het theater, te ver vinden gaan in het gebruik van technologie.
Theater over 100 jaar bestaat dus uit de twee uitersten: hightech en lowtech theater.